“Ik heb het leven lief”

 


Ik heb het leven lief, de mensen en de dieren, de zeeŽn en rivieren, ik heb het leven lief.

Ik heb het leven lief, de bergen en de dalen, de warme zonnestralen, ik heb het leven lief.

De trieste ochtendkrant, ze zal mij niet benauwen, ik blijf van het leven houden, tot aan de laatste dag.

Al zijn ze nog zo droef, de dingen die gebeuren, er komen nieuwe kleuren, er komt een nieuwe dag.

Ik heb het leven lief, ik heb het nooit verzwegen, het wonder van het bewegen, de vreugde van het bestaan.

Ik heb het leven lief, ik ben blij dat ik ben geboren, dat ik kan zien en horen, een hart kan horen slaan.

Als in het blije blauwe, de fiere populieren hun blijde zomers vieren, ik ruik het jonge groen.

Rolt over het open veld de bliksem en de donder dan bespeur ik iets van het wonder, heel diep in mijn karkas.

Ik heb het leven lief. Hoe dikwijls ik ook faalde, de tol die ik betaalde, daarvan heb ik geen spijt.

Ik heb het leven lief, ik zal er wat van maken, ik schreeuw het van de daken, ik heb het leven lief.

De morgen aan mijn raam, de avond vol applausen, de koffie in de pauze, ik heb het leven lief.

En valt het doek dan dicht, nog even op het leven een laatste glas geheven, ik heb het leven lief.

Ik heb het leven lief, het sterke en het broze, het blije en het boze, ik heb het leven lief.